Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een donkere schaduw haar gelaat overtoog, haar oogen beneveld en haar gedachten afgetrokken werden.

„Mama," zeide zij op zekeren dag eensklaps tot haar moeder, „waarom laten wij onze bedienden toch niet leeren lezen?"

„Welk een dwaze vraag, kind! Dat doet niemand."

„Maar waarom niet?" vroeg Eva.

„Omdat het voor hen geen nut heeft, dat zij leeren lezen. Zij zullen er geen zier beter om werken en zij zijn voor niets anders geschapen."

„Doch mij dunkt, dat zij den Bijbel moesten lezen, om Gods wil te leeren kennen, mama."

„Och, zij kunnen zich immers alles, wat zij noodig hebben te weten, hooren voorlezen!"

„Ik geloof, mama, dat de Bijbel een boek is, 't welk alle menschen zelf moeten lezen. Zij hebben daaraan dikwijls zoo groote behoefte, wanneer er niemand is, die hen kan voorlezen."

„Eva, je bent een zonderling kind," zeide de moeder.

„Nicht Ophelia heeft Topsy het lezen geleerd," hernam Eva.

„Ja, en je kunt zien, hoeveel goed het bij haar uitwerkt. Topsy is het slechtste schepsel dat ik nog ooit gezien heb."

„Maar dan de goede, arme Mammy!" zeide Eva. „Zij heeft den Bijbel zoo lief, en wenschte zoo gaarne dien te kunnen lezen. En wat zal zij aanvangen, wanneer ik haar niet meer voorlezen kan?"

Terwijl Marie bezig was om den inhoud van een lade na te snuffelen, antwoordde zij:

„Ei wat, er zal wel eens een tijd komen, dat je aan andere dingen zult denken dan om de bedienden den Bijbel voor te lezen. Ik wil niet zeggen dat je er kwaad aan doet, want ik zelf heb het ook gedaan, toen ik nog gezond was. Maar als je grooter wordt en in gezelschappen zult moeten verkeeren, dan zal je er geen tijd meer toe

Sluiten