Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marie St. Clare had niet de minste acht geslagen op de gedurige afneming van de gezondheid en de krachten van het kind, daar zij geheel en al verdiept was in haar studie van een paar nieuwe soorten van ziekten, door welke zij meende aangetast te zijn. Vóór alles dacht Marie, dat men nimmer zulk een lijderes als zij was zou kunnen vinden, en daarom sprak zij ook altijd met de grootste verontwaardiging over hen, die zich in haar nabijheid bevonden, en het durfden wagen te zeggen, dat zij ziek of ongesteld waren, zij was in dergelijke gevallen altijd overtuigd, dat dit alleen uit traagheid of gebrek aan krachtsinspanning voortkwam, en dat, indien zij hadden te lijden wat altijd door haar moest gedragen worden, zij het verschil weldra zouden leeren kennen.

Juffrouw Ophelia had meer dan eens beproefd om het moederlijk gevoel bij haar te doen ontwaken, maar altijd te vergeefs.

„Ik kan niet zien, dat het kind iets scheelt," was zij gewoon te zeggen; „zij loopt immers altijd rond te spelen."

„Maar zij heeft zulk een onrustbarenden hoest!"

„Een hoest! och gij moet mij niet van hoesten spreken. Ik heb daar heel mijn leven aan geleden. Toen ik zoo oud was als Eva meenden de menschen ook dat ik de tering had. Mammy was toen gewoon om nacht aan nacht bij mij te waken. Och, dat hoesten van Eva beteekent waarlijk niets!"

„Maar zij wordt zoo zwak en is zoo kortademig!"

„Wel, dat ben ik jaren achtereen geweest; dat is niets dan een zenuwachtige aandoening!"

Juffrouw Ophelia zweeg voor een poos. Maar toen Eva zichtbaar begon af te nemen, en zij van dag tot dag zwakker voorkomen kreeg, zoodat de geneesheer inderdaad geroepen werd, nam ook Marie's gedrag plotseling een andere wending.

Zij wist het, zeide zij, zij had het altijd gevoeld, dat

Sluiten