Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want Marie liep met haar nieuwe ellende te koop als met een reden en verschooning voor allerlei soort van kwellingen welke zij allen aandeed, die haar omringden. Ieder woord, dat door deze of die gesproken werd, alles wat gedaan of niet gedaan werd, was enkel een nieuw bewijs, dat zij omringd was van hardvochtige, gevoellooze wezens, die zich in 't minst niet om haar toestand bekreunden. Ook de arme Eva hoorde nu en dan wel eens eenige van die klaagliederen, en dan schreide zij zich de oogen rood, uit medelijden met haar mama en uit droefheid, omdat zij haar zooveel verdriet veroorzaakte.

Na verloop van twee of drie weken kwam er een gunstige verandering in de ziekteverschijnselen, een dier bedriegelijke flikkeringen, door welke haar onoverwinnelijke kwaal zoo dikwijls het beangstigde hart misleidt, zelfs nog aan den rand des grafs. Andermaal betrad Eva's voet den tuin en de veranda's; zij speelde en lachte weer, en haar vader verklaarde in de verrukking zijner blijdschap, dat men haar weldra weder even vlug en vroolijk en gezond zou zien als vroeger. Alleen juffrouw Ophelia en de geneesheer lieten zich door deze begoocheling niet misleiden; veel minder werden zij er met eenigen moed door bezield. Maar daar was ook nog een ander hart, dat met dezelfde zekerheid gevoelde, en dat was het hartje van Eva zelf. Wat toch is het dat soms zoo zacht en tevens zoo duidelijk in de ziel spreekt dat de tijd kort wordt? Is het de geheime inspraak van de wegkwijnende natuur, of het bewustzijn der ziel, die gevoelt, dat zij met iederen dag de onsterfelijkheid nader komt ? Het zij wat het wil, maar die stem sprak in Eva's hart; zij gevoelde de kalme, zoete profetische overtuiging, dat zij den hemel nabij was, kalm als het licht der ondergaande zon, zoet als de stille schoonheid van den herfst; haar hart gevoelde een zalige rust, die alleen gestoord werd door haar bezorgdheid voor hen, die zij

OOM TOM. 13

Sluiten