Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

St. Clare had haar geroepen om haar een beeldje te toon en, dat hij voor haar gekocht had; maar haar voorkomen maakte een plotselingen en pijnlijken indruk op hem. Er bestaat een soort van schoonheid, zoo verheven, maar toch zoo broos, dat men het gezicht daarvan niet kan verdragen. Haar vader drukte haar eensklaps in zijn armen en vergat geheel wat hij haar wilde zeggen.

„Eva, mijn geliefd kind, je gevoelt je sedert eenige dagen iets beter, niet waar?" vroeg hij.

„Papa," antwoordde Eva met een ongemeen vaste stem, „ik had u reeds sedert langen tijd vele dingen te zeggen. Ik wilde dat nu doen, voor dat ik zwakker word."

St. Clare beefde, toen Eva zich op zijn schoot neerzette. Zij legde haar hoofd aan zijn borst en vervolgde:

„Het zal niets helpen, papa-lief, wat u ook doet om mij hier te houden. De tijd nadert dat ik u zal moeten verlaten. Ik ga heen en zal nooit terugkeeren." En Eva snikte bij het uitspreken van deze woorden.

„O, neen, neen, mijn lieve, mijn eenige Eva," zeide St. Clare met een bevende stem, hoewel hij opgeruimd wilde schijnen; „je bent zenuwachtig en gedrukt; je moet aan zulke sombere gedachten niet toegeven. Kijk eens, welk een fraai beeldje ik voor je heb gekocht."

„Neen, papa," hernam Eva, het geschenk vriendelijk ter zijde schuivende, „bedrieg u zei ven niet. Ik ben niets beter; ik gevoel dit zeer goed, en ik weet, dat ik weldra van hier zal gaan. Ik ben niet neergedrukt en ook niet zenuwachtig. Was het niet om u papa, en om mijn goede vrienden, dan zou ik mij volkomen gelukkig gevoelen. Ik moet heengaan en ik verlang ook heen te gaan."

„Wel, mijn lief kind, wat heeft je arm klein hart zoo droevig gemaakt? Heb je niet alles gehad wat men je kon geven om je gelukkig te maken?"

„Ik wil liever in den hemel zijn, papa! maar ter wille van mijn vrienden zou ik nog gaarne willen leven.

Sluiten