Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zijn hier zoo veel dingen, die mij bedroeven; er is hier zooveel, dat mij zoo vreeselijk toeschijnt! Ik wil liever heengaan; maar ik begeer u niet te verlaten, en dat doet mij bijna het hart breken!"

„Wat maakt je zoo droevig en schijnt je zoo vreeselijk toe, Eva?"

„O, de dingen die gedaan zijn en nog dagelijks gedaan worden. Ik ben zoo bedroefd om onze arme slaven; zij hebben mij zoo hartelijk lief, en zij zijn allen zoo vriendelijk en zoo goed jegens mij! Ik wenschte, papa, dat zij allen vrij waren."

„Wel Eva, kindlief, geloof je dan, dat zij het niet goed bij ons hebben?"

„O ja, papa; maar indien u eens iets overkwam, wat zou er dan van hen worden? Er zijn maar heel weinig menschen, die naar u gelijken, papa. Oom Alfred heeft niet het minste van u, en mama ook niet; en denk dan eens aan de eigenaars van de arme Prue! Welke verschrikkelijke dingen kunnen de menschen niet doen en doen zij al niet!" vervolgde Eva huiverend.

„Maar je ben te gevoelig, mijn lief kind! Het spijt mij, dat ik je ooit zulke dingen heb laten hooren."

„Dat juist is het, wat mij verontrust, papa. U wenscht zoo vurig, mij gelukkig te zien, en alles te vermijden, wat mij zorg, moeite of lijden zou kunnen veroorzaken, en hebt daarom niet gaarne, dat ik een treurige geschiedenis hoor, terwijl andere arme schepsels geheel hun leven niets dan lijden en ellende moeten ondervinden: — dit komt mij zoo zelfzuchtig voor. Ik moet die dingen weten; ik kan niets anders dan medelijden met hen gevoelen. Zulke dingen treffen mij altijd tot diep in het hart — zeer diep; ik heb er veel over gedacht. Papa, is er dan geen middel, dat alle slaven vrij worden?"

„Dat is een moeielijk vraagstuk, kindlief. Ongetwijfeld wordt er nu niet goed gehandeld; velen denken er zoo

Sluiten