Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVI.

DE KLEINE EVANGELISTE.

Het was Zondagmiddag. St. Clare lag in de veranda op een bamboesrustbank uitgestrekt en rookte zijn sigaar. Marie lag op een sofa voor een op de veranda uitziend venster, dat, door een gordijn van doorschijnend gaas gesloten, den toegang voor de lastige muskieten versperde, terwijl zij lusteloos een sierlijk gebonden gebedenboek in de hand hield. Zij deed dit omdat het Zondag was, en zij verbeeldde zich, dat zij er in las, ofschoon zij inderdaad niets had gedaan dan geeuwen, terwijl zij het boek geopend in haar handen hield.

Juffrouw Ophelia, had na eenig navragen een kleine methodistische bijeenkomst in de buurt ontdekt, was daartoe met Tom als koetsier uitgereden en werd op dezen tocht door Eva vergezeld.

„Ik zeg je, Augustinus," sprak Marie na een poosje gesluimerd te hebben, „dat ik naar de stad zenden moet om mijn ouden geneesheer, doctor Possy. Ik weet stellig, dat ik tegenwoordig aan hartklopping lijd."

„Wel, waarom zou je hem moeten laten roepen? Eva's geneesheer schijnt mij een bekwaam man te zijn."

„Ik zou hem in geen gewichtig geval vertrouwen," antwoordde Marie. „En ik vrees, dat ik daarin verkeer. Ik heb er in de beide laatste nachten ernstig over nagedacht; ik heb zulke verontrustende pijnen en zulk een zonderling gevoel."

„O, Marie, je vergist je zeker; ik kan niet gelooven, dat het een hartziekte is."

„Dat dacht ik wel van je," zeide Marie; „ik verwachtte waarlijk niets anders. Je kunt je wel ongerust maken als

Sluiten