Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat is het dan toch?" vroeg Augustinus.

„Wat het is? Niets anders, dan dat ik mij niet langer om dat kind wil dood kwellen. Het is niet te doen; vleesch en bloed kunnen het niet langer uitstaan. Hoor maar eens: ik sloot haar op en gaf haar een psalm van om buiten te leeren —« en wat doet zij ? Zij gaat overal zoeken, waar ik mijn sleutel heb gelegd; zij opent mijn werktafeltje, haalt er de kant van een muts uit en knipt die in stukken, om er poppenkleedjes van te maken. Ik heb nooit van mijn leven zoo iets gezien."

„Ik heb het je immers wel gezegd, nicht," zeide Marie, „dat je weldra zoudt ondervinden, hoe weinig er met die schepsels zonder gestrengheid is aan te vangen. Kreeg ik mijn zin," vervolgde zij, een verwijtenden blik op St. Clare werpende, „dan zou ik het kind heen zenden om gegeeseld te worden, en ik zou haar een portie laten toedeelen, dat zij gaan noch staan kon.

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik," merkte St. Clare aan. „Spreek mij maar van de zachte heerschappij der vrouwen! Ik heb nooit meer dan een dozijn vrouwen gekend, die niet in staat zouden zijn een paard of een bediende half dood te slaan."

„Houd toch op met spotten, St. Clare," zei Marie. „Onze nicht is een verstandige vrouw, en zij ziet het nu duidelijk in, dat ik de waarheid zeg."

Juffrouw Ophelia was wel in staat zich zoo boos te maken als aan een werkzame en nauwgezette huishoudster past, en deze boosheid was door de bedriegerijen en guitenstreken van het kind tot een tamelijke hoogte gestegen; maar Marie's woorden gingen boven haar begrip, en haar vuur werd er zelfs door uitgedoofd, zoodat zij eensklaps veel bedaarder begon te redeneeren.

„Ik zou dit kind om niets ter wereld zoo zien behandelen," zeide zij; „maar, geloof mij, Augustinus, ik weet niet, wat ik met haar beginnen zal. Ik heb haar geleerd

Sluiten