Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ernstigen blik, wond ze om haar magere vingers, en zag van tijd tot tijd haar vader met zorgvolle blikken aan.

„Dat is juist, wat ik reeds zoolang vermoed heb," zuchtte Marie; „dat is het, wat van dag tot dag aan mijn gezondheid heeft geknaagd, en dat mij in het graf brengt, ofschoon niemand er acht op slaat. Ik heb het reeds sedert lang gezien. Binnenkort, St. Clare, zal je moeten bekennen, dat ik gelijk had."

„Wat zeker een groote troost voor je zal wezen!" zeide St. Clare, op een drogen bitteren toon.

Marie zonk op haar rustbank neder en bedekte het gelaat met haar zakdoek.

Eva's heldere blauwe oogen dwaalden met een ernstige uitdrukking van den een naar de andere. Het was de kalme, gedachtenvolle blik van de reeds half van haar aardsche banden ontslagen ziel; het was niet te ontkennen, dat zij het verschil tusschen beide haar ouders zag, gevoelde en opmerkte.

Zij wenkte haar vader met de hand. Hij naderde en zette zich bij haar neder.

„Papa, mijne krachten worden met iederen dag minder; ik weet, dat ik weldra heen moet gaan. Ik wenschte zoo gaarne veel dingen nog te zeggen, en te doen, wat ik doen moet, en u is zoo weinig genegen om mij een enkel woord over dit onderwerp te laten spreken. Maar het moet eindelijk toch geschieden — het kan niet langer worden uitgesteld. Och, wees dan zoo goed om nu naar mij te hooren."

„Ik zal hooren, mijn kind," zeide St. Clare, met de eene hand zijn oogen bedekkende en met de andere die van Eva vattende.

„Ik zou zoo gaarne al onze lieden te zamen hier bij mij zien. Ik heb hun iets te zeggen," hernam Eva.

„Het zij zoo!" antwoordde St. Clare op den toon van droevige gelatenheid.

Sluiten