Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f

Juffrouw Ophelia liet ze roepen, en weldra waren alle bedienden in Eva's kamer vergaderd.

Eva lag achterover op haar kussens; het haar hing los langs haar gelaat; haar roode wangen staken sterk af bij de doorschijnende witheid van haar huid en haar magere leden en gelaatstrekken, terwijl zij met haar groote zielvolle oogen allen aankeek.

De bedienden werden allen geroerd. Het doorschijnend gelaat, de lange haarlokken, die van haar hoofd geknipt waren en aan haar zijde lagen, het neerslachtig gelaat van haar vader en Marie's snikken, dit alles maakte een geweldigen indruk op dat voor indrukken zoo vatbare ras; zij zagen elkaar aan, zuchtten en schudden met hun hoofden. Er heerschte een diepe stilte als bij een begrafenis.

Eva richtte zich op, en zag geruimen tijd met een ernstigen blik in het rond. Allen droegen de uitdrukking van droefheid en bange verwachting op hun gelaat. Vele vrouwen verborgen haar gezicht in haar boezelaar.

„Ik heb u allen laten roepen, mijn lieve vrienden," zeide Eva, „omdat ik u bemin. Ja, ik bemin u allen, ik heb u allen iets te zeggen, Avat ik hoop, dat gij u steeds zult herinneren.... Ik ga u verlaten. Binnen weinige weken zult gij mij niet meer zien."

Hier werden de woorden van het kind afgebroken door een uitbarsting van zuchten, snikken en klachten uit den mond van allen die in het vertrek waren en waardoor haar zwakke stem geheel onverstaanbaar werd. Zij wachtte een oogenblik en vervolgde toen op een toon, die aller zuchten en snikken deed ophouden:

„Indien gij mij liefhebt, dan moet gij mij niet zoo storen. Luister naar hetgeen ik te zeggen heb. Ik wil met u over uwe zielen spreken. Velen uwer zijn, vrees ik, daaromtrent zeer zorgeloos. Gij denkt alleen aan deze wrereld. Ik moet u er echter aan herinneren, dat er nog

Sluiten