Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marie ongemeen vindingrijk te wezen in het opzoeken van allerlei bezigheden, zoodat heimelijke bezoeken en kortstondige toespraken alles waren wat zij verrichten kon.

„Ik voel, dat het mijn plicht is om nu alle mogelijke zorg voor mij zelve te dragen," was Marie gewoon te zeggen, „daar ik zoo zwak ben en de geheele zorg voor het kind enkel op mij rust."

„Waarlijk, mijn beste," antwoordde St. Clare dan steeds half spottend, „ik meende dat onze nicht je van die zorg ontsloeg."

„Je spreekt zooals alle mannen spreken, St. Clare; even alsof een moeder verlost kan worden van haar zorg voor een kind, dat in zulk een toestand verkeert. Maar dat is nu ook alles om het even; niemand weet wat ik voel. Ik kan de dingen zoo maar niet van mij afzetten, zooals gij dat doet."

St. Clare glimlachte — men houde het hem ten goede, dat hij zelfs in deze omstandigheden nog glimlachen kon. De laatste, groote reis naar het andere leven toch werd door het kind aanvaard met een kalmte en blijmoedigheid — de zwakke hulk werd door zulke zachte koeltjes naar de hemelsche kusten gestuwd, dat het bijna onmogelijk was, zich voor te stellen, dat het de dood was, die hier zijn vreeselijke macht deed gelden. Het kind gevoelde geen pijnen, alleen een zachte, stille zwakheid, die wel dagelijks, maar toch bijna onzichtbaar toenam, en zij was zoo schoon, zoo goed, zoo hartelijk, zoo liefhebbend en gelukkig, dat het onmogelijk was om weerstand te bieden aan den verzachtenden invloed van dien schuldeloozen, vreedzamen geest, die rondom haar scheen te zweren. St. Clare gevoelde een zonderlinge kalmte in zijn binnenste. Het was geen hoop — voor het voeden daarvan bestond geen mogelijkheid meer — het was ook geen onderwerping; het was alleen een stil en dof berusten in het tegenwoordige, dat hem te schoon voorkwam,

Sluiten