Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weet niet waarom ik geboren ben — ik ben van geen het minste nut."

Juffrouw Ophelia hief haar zacht maar met een stevigen arm van den grond op en bracht haar de kamer uit; maar ook haar liepen, terwijl zij dit deed de tranen langs de wangen.

„Topsy, arm kind!" sprak zij, terwijl zij het meisje naar haar eigen kamer bracht; „wees niet wanhopig. Ik kan je beminnen, ofschoon ik niet ben gelijk dat goede kind. Ik hoop, dat ik door haar iets van de liefde van Christus heb leeren kennen. Ik kan je beminnen en bemin je, en ik zal alles doen wat ik kan om een goed en Christelijk meisje van je te maken."

Juffrouw Ophelia's stem deed meer dan haar woorden, en meer nog werkten de oprecht gemeende tranen uit, die in haar oogen schitterden. En van dat oogenblik af kreeg zij een invloed op het gemoed van het arme, verstooten wezen, die nimmer weer verloren ging.

„O, mijn Eva, die in de weinige uren van uw leven op aarde zooveel goeds hebt gedaan," dacht St. Clare, „welk een rekenschap moet ik geven van mijn vele jaren?"

Gedurende een korten tijd hoorde men een zacht gefluister en geschuifel van voetstappen in het vertrek, daar de een na den ander binnensloop, om de doode nog eens te zien. Vervolgens kwam de kleine lijkkist; de dag der begrafenis naderde; rijtuigen hielden voor de deur van het huis stil; vreemdelingen traden binnen en zetten zich neder; men zag witte guirlandes en linten en krippen banden en in het zwart gekleede rouwdragers; men hoorde uit den Bijbel lezen en de gebruikelijke gebeden opzeggen, en St. Clare leefde en wandelde en bewoog zich als iemand, die in een droom rondliep. Tot aan het laatste oogenblik toe zag hij maar één ding: het gouden hoofdje in de enge kist; maar eindelijk zag hij dit met het lijkkleed bedekken en het deksel sluiten,

Sluiten