Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Stille waters hebben diepe gronden, is men gewoon te zeggen," antwoordde julïrouw Ophelia.

„O, geloof zulke dingen toch niet! dat zijn louter praatjes. Wanneer de menschen gevoel hebben, dan toonen zij het, zij kunnen dit niet laten; maar het is waarlijk een groot ongeluk, zooveel gevoel te hebben. Ik zou het een zegen achten, indien ik St. Clares karakter had. Mijn gevoel doodt mij!"

„Waarlijk, missis, massa St. Clare begint zoo mager als een geraamte te worden. Zij zeggen, dat hij bijna niets eet," merkte Mammy aan. „Ik weet het, dat hij jongejulfrouw Eva niet vergeet; ik weet, dat niemand haar vergeten kan — het goede, lieve gezegende kind," vervolgde zij, zich de oogen afwisschende.

„Nu, hij heeft in allen gevalle niet het geringste medelijden met mij," zeide Marie; „hij heeft mij geea enkel woord van troost toegesproken, en hij moest toch weten, hoeveel inniger een moeder gevoelt, dan een man dit kan doen."

„Elk hart kent zijn eigen bitterheid," sprak Ophelia ernstig.

„Dat is het juist wat ook ik geloof. Ik weet wat ik voel beter dan anderen. Eva scheen mij te begrijpen, maar helaas zij is niet meer." En Marie zonk bij die woorden in haar rustbank weg en begon als een troostelooze te snikken.

Marie was een dier ongelukkige schepsels, in wier oogen dat, wat voor altijd verloren is gegaan een waarde verkrijgt, die het vroeger, toen ze het hadden, nooit bezat. Wat zij had en genoot, werd voorbij gezien — was het niet meer onder haar bereik, dan wist zij het niet genoeg te verheffen.

Terwijl dit gesprek in Marie's kamer wordt gevoerd, hooren wij een ander in de bibliotheek van St. Clare.

Tom, die gewoon was zijn meester vol onrust overal

Sluiten