Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wie weet iets met zekerheid?" zeide St. Clare, terwijl zijn oogen peinzend ronddwaalden en hij tot zich zeiven sprak: „En is er dan geen Eva meer, geen hemel, geen Christus, niets?"

„Ja, beste meester, ja, ik weet het! ik ben er van overtuigd," zeide Tom, op zijn knieën vallende. „O, beste meester, geloof ook gij!"

„Hoe weet je, dat er een Christus is, Tom? Gij hebt den Heer toch nooit gezien."

„Ik heb het in mijn ziel gevoeld en gevoel het nog op dit zelfde oogenblik. O, massa, toen ik verkocht en van mijn arme vrouw en kinderen gescheurd werd, was het mij, alsof mij het hart zou breken. Het was mij, alsof mij niets op de wereld was overgebleven; maar toen heeft de goede Heer mij bijgestaan, en Hij zeide tot mij: „Vrees niet, Tom!" en Hij brengt licht en vreugde in het hart van den armen sterveling, en Hij brengt daar alles tot vrede, en ik ben zoo gelukkig en bemin iedereen, en voel mij bereid om des Heeren te zijn en Zijn wil te doen, en daar te zijn, waar Hij mij leiden wil. Ik weet, dat dit niet van mij zelf komen kan, want ik ben maar een arm, steeds tot klagen geneigd schepsel; het komt alleen van den Heer, en ik weet, dat Hij ook mijn goeden meester zal willen helpen."

Tom sprak deze woorden met een geroerde stem, terwijl de tranen hem langs de wangen stroomden. St. Clare leunde met het hoofd op zijn schouder en drukte de trouwe, harde, zwarte hand.

„Tom, je hebt mij lief!" zeide hij.

„O, ik zou gaarne willen sterven, wanneer ik maar mocht zien, dat massa een Christen was," antwoordde de neger.

„Arme dwaze jongen!" zeide St. Clare half van zijn zitplaats opstaande, „ik ben de liefde van zulk een eerlijk, goedhartig schepsel inderdaad niet waardig."

Sluiten