Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was dus inwendig een weinig boos over Ophelia's voortvarendheid.

„Nu, welke haast is er dan toch bij de zaak?" vroeg hij. „Kunt gij mij niet op mijn woord gelooven? Gij valt iemand zoo onverhoeds aan, dat men bijna zou meenen, dat gij les bij de Joden hebt genomen."

„Ik moet zeker van mijn zaak wezen," zeide juffrouw Ophelia. „Gij kunt sterven of bankroet gaan, en dan zou Topsy weggevoerd en verkocht worden, in weerwil van alles wat ik daartegen inbracht."

„Waarlijk, gij zijt al zeer omzichtig! Nu, daar ik zie, dat ik in de handen van een dwingeland ben, blijft mij niets anders over dan mij daarnaar te schikken," zeide St. Clare, terwijl hij haastig den giftbrief schreef, wat hij, daar hij zeer goed in de wetten bedreven was, zeer gemakkelijk kon doen; hij plaatste er zijn handteekening met sierlijke letters onder en vulde het geheel met een breede, donkere streep.

„Zie daar dan, is dat dan nu geen zwart op wit, juffrouw Vermont?" vroeg hij, haar het geteekende papier overhandigende.

„Maar, beste jongen," hernam juffrouw Ophelia, glimlachend, „moet het ook niet door getuigen mede onderteekend worden?"

„O, waarlijk, ja! Hier," zeide hij, de deur van Marie's komer openende. „Marie, nicht heeft behoefte aan je handteekening; wees dus zoo goed je naam daar neer te schrijven."

„Wat is dat?" vroeg Marie, terwijl zij het papier vluchtig doorliep. „Bespottelijk! Ik meende, dat onze nicht te vroom was voor zulke goddelooze dingen," vervolgde zij, terwijl zij het papier achteloos teekende; „maar als zij Topsy wil hebben, die is haar gegund."

„Zie zoo, nicht, nu is zij de uwe naar lichaam en ziel," zeide St. Clare, haar het papier overhandigend.

„Zij is de mijne daarom niet meer, dan zij het vroeger

Sluiten