Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hand zijn: „Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijne engelen bereid is. Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij niet te drinken gegeven; ik was een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed; krank en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht." Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: „Heere! wanneer hebben wij u hongerig gezien of dorstig of een vreemdeling of naakt of krank of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?" Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: „Voorwaar zeg ik u, voor zooveel gij dit één van deze minsten niet hebt gedaan, zoo hebt gij het mij ook niet gedaan."

St. Clare scheen door deze woorden diep getroffen te zijn; want tweemaal las hij ze over; de tweede maal zacht voor zich zelf, als had hij besloten, om ze in zijn hart te prenten.

„Tom," zeide hij, „zij, die zulk een hard vonnis moeten hooren, zullen wel evenzoo als ik gehandeld hebben, leidende geheel hun tijd een vroolijk, gemakkelijk, voornaam leven, zonder zich in het minst over de beantwoording der vraag te bekommeren, hoevelen hunner broeders hongerig, dorstig, naakt, ziek of in de gevangenis waren."

Tom antwoordde niet.

St. Clare stond op en ging peinzend onder de veranda heen en weder, terwijl hij alles om zich heen scheen te vergeten. Hij was zoo afgetrokken, dat Tom hem tot tweemalen toe moest zeggen, dat de bel hem aan de theetafel riep, voordat hij zijn aandacht trekken kon.

Ook aan de theetafel was St. Clare verstrooid en in gedachten verzonken. Na de thee gingen hij, Marie en juffrouw Ophelia, bijna allen even stil in zich zeiven gekeerd, in de spreekkamer zitten.

Sluiten