Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marie legde zich op een rustbank, die door een zijden gordijn tegen de aanvallen der muskieten werd beveiligd. Juffrouw Ophelia hield zich zwijgend met haar breiwerk bezig. St. Clare zat bij de piano en begon een zachte, roerende melodie te spelen. Hij scheen in een diepe mijmering verzonken te zijn, en door middel van de muziek met zich zelf te spreken. Na een korte poos opende hij een lade, nam daar een muziekboek uit, welks bladen geel van ouderdom waren, en begon daarin te bladeren.

„Zie," zeide hij tot Ophelia, „dit was een van mijn moeders muziekboeken, en dat is haar eigen handschrift. Kom en bekijk het eens. Dit stuk heeft zij uit het „Requiem" van den onsterfelijken Mozart afgeschreven en voor zang bij de piano geschikt gemaakt."

Ophelia voldeed aan het verzoek van haar neef.

„Zij placht dikwijls te zingen," zeide St. Clare; „mij dunkt, ik hoor haar nog."

Hij sloeg eenige krachtige akkoorden aan, en begon toen dat verheven, oude Latijnsche lied „Dies lrae" te zingen.

Tom, die onder de veranda zat te luisteren, werd door die toonen tot in de nabijheid van de deur gelokt, waar hij met een ernstig gelaat post vatte. Hij verstond natuurlijk den zin der woorden niet, maar de muziek en de toon, waarop zij gezongen werden, schenen hem tot in het diepst van zijn ziel te treffen, vooral toen St. Clare de meer aandoenlijke gedeelten zong. Inniger zou Toms medegevoel zijn geweest, indien hij de beteekenis had gekend van deze schoone woorden.

„Recordare, Jesu pie Quod sum causa tuae viae Ne me perdas illa die;

Quaerens me sedisti lassus,

Sluiten