Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgenomen om Topsy mee te nemen, wanneer ik huiswaarts keer. Ik weet wel, dat men zich bij ons verwonderen zal, ten minste in het eerst; maar ik geloof, dat zij weldra de zaak met mij uit het zelfde oogpunt zullen beschouwen. Ik weet daarenboven, dat er in het Noorden vele lieden zijn, die juist zoo handelen als gij wilt dat zij zullen doen."

„Ja, maar zij behooren, helaas! tot de minderheid, en wanneer wij met de vrijverklaring op een groote schaal begonnen, zouden wij stellig ook spoedig van ulieden hooren," zeide St. Clare, niet zonder beteekenis.

Juffrouw Ophelia antwoordde niet. Er heerschte eenige oogenblikken stilte, en St. Clares gelaat nam een droefgeestige, verstrooide uitdrukking aan.

„Ik weet waarlijk niet, wat mij dezen avond zoo telkens aan mijn moeder doet denken," zeide hij eindelijk. „Het is mij alsof zij mij zeer nabij is. Alles wat zij placht te zeggen, komt mij nu weder voor den geest. Zonderling is het, zooals soms de verledene dingen ons met zooveel helderheid voor den geest komen."

St. Clara wandelde het vertrek eenige malen zwijgend op en neder en vervolgde toen:

„Ik geloof dat het goed voor mij zal zijn, wanneer ik eens uitga, om het nieuws van den avond te .vernemen.''

Met deze woorden nam hij zijn hoed en ging heen.

Tom volgde zijn meester door de gang en over het plein en vroeg hem, of hij hem niet zou vergezellen.

„Neen, mijn jongen," antwoordde St. Clare, „ik ben binnen een uur terug."

Tom zette zich onder de veranda neder. Het was een schoone maneschijn-avond, en hij hield zijn oogen gevestigd op de springende stralen der fontein, terwijl hij stil en peinzend naar het zacht gemurmel van het water luisterde. Tom dacht aan zijn thuis en, dat hij weldra een vrij man zou wezen, en dat het hem spoedig vergund zou zijn om naar Kentucky terug te keeren, wanneer hij

Sluiten