Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

St. Clare opende andermaal zijn oogen en vestigde ze strak op de bedroefde wezens, toen Ophelia en de dokter hen trachtten te verdrijven. „Arme schepsels!" zuchtte hij, en een uitdrukking van bitter zeltverwijt vertoonde zich op zijn gelaat. Adolf weigerde op stelligen toon om heen te gaan. De onverwachte schrik had hem van alle tegenwoordigheid van geest beroofd; hij wierp zich zoo lang hij was op den grond, en geen toespraak kon hem overhalen om op te staan. De overigen gehoorzaamden aan julïrouw Ophelia's zachte, maar dringende toespraak en haar voorstelling, dat 's meesters leven van hun bedaardheid en gezeggelijkheid afhing.

St. Clare kon slechts weinig spreken; hij lag met gesloten oogen, maar het was duidelijk zichtbaar, dat hij met bittere gedachten en gewaarwordingen te kampen had. Na een poos legde hij zijn hand op den schouder van Tom, die aan zijn zijde neergeknield was en zuchtte: „Tom, arme jongen!"

„Wat is het, massa?" vroeg Tom ernstig.

„Ik ga sterven," hernam St. Clare, hem de handdrukkende: „bid!"

„Indien gij een geestelijke wilt hebben . . ." merkte de geneesheer aan.

St. Clare schudde haastig en onwillig met het hoofd, en zeide weder, maar nog ernstiger tot Tom: „Bid!"

En Tom bad met geheel zijn hart en met alle kracht voor de ziel, die op het punt stond van de aarde te scheiden, voor de ziel, die zoo treurig uit die groote droefgeestige oogen scheen te spreken. Het was inderdaad een gebed met sterk geroep en tranen.

Toen Tom met spreken ophield, stak St. Clare hem zijn hand toe, keek hem strak en ernstig aan, maar sprak geen enkel woord. Hij sloot de oogen weder, maar bleef de hand van Tom vasthouden, want hij gevoelde, dat voor de poorten der eeuwigheid de hand van den zwarte

Sluiten