Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XX.

DE ONBESCHERMDEN.

"Wij hooren dikwijls spreken van den treurigen toestand van negerbedienden bij het verlies van een goeden meester, en met reden, want geen schepsel op Gods aarde is zoo weerloos en zoozeer van alle bescherming ontbloot en verlaten, als de slaaf in zulk een geval.

Het kind, dat zijn vader verloren heeft, staat toch nog onder de bescherming van zijn vrienden en van de wet; hij is iets en kan iets doen; hij heeft erkende rechten en een erkende plaats in de maatschappij. De slaaf daarentegen heeft niets van dat alles. De wet beschouwt hem in ieder opzicht even ontbloot van rechten als een baal koopmansgoederen. De eenig mogelijke erkenning van de begeerten en behoeften van een menschelijk en onsterfelijk wezen, die hem geschonken zijn, erlangt hij door den oppermachtigen en aan geen verantwoordelijkheid onderworpen wil van zijn meester, en wordt die meester hem ontnomen, dan blijft hem niets meer over.

Klein is inderdaad het getal van menschen, die deze aan geen verantwoordelijkheid onderworpen macht op een edelmoedige wijze weten te gebruiken. Iedereen weet dit, en de slaaf weet dit het best, zoodat hij het levendig gevoelt, dat hij tien kansen heeft om een harden, wreeden meester te vinden, tegen één kans op een meester, die betrekkelijk goed en zacht is. Van daar ook, dat een goede meester door den slaaf met zulke heete tranen wordt beweend.

Toen St. Clare den laatsten adem had uitgeblazen, verspreidden zich schrik en verslagenheid door het heele gezin, welks hoofd hij was geweest. Hij was in een enkel oogenblik weggenomen midden in den bloei en de kracht

Sluiten