Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met Rosa, toen Ophelia zich reeds bezighield met toebereidselen, om naar haar woonplaats in het Noorden terug te keeren.

Toen zij ernstig bij zich zelve over de zaak nadacht, dacht zij, dat zij wellicht bij haar vroeger gesprek met Maria te haastig en te sterk aanhoudend was geweest, en zij nam zich derhalve voor, om bij deze gelegenheid te beproeven, of zij zich niet zou kunnen matigen, en zoo zacht te spreken, als maar eenigszins mogelijk was. Zoo ging de goede ziel dan met haar breiwerk naar Maries kamer, besloten zoo beminnelijk mogelijk te zijn, enToms belangen te behartigen met al de diplomatieke bekwaamheid, die zij maar bezat.

Zij vond Marie op een rustbank uitgestrekt, terwijl zij den eenen elleboog met kussens ondersteunde, en Jane, die in onderscheidene winkels boodschappen voor haar had gedaan, een menigte stalen van dunne zwarte stoffen voor haar uitspreidde.

„Dit zal goed wezen," zeide Marie, er een uitkiezende; „maar ik weet niet of dit eigenlijk wel rouwstof is."

„Ja, mevrouw," antwoordde Jane; „mevrouw Derbendon, de weduwe van den generaal, heeft het verleden jaar na diens dood ook gedragen, en o, het stond haar zoo goed!"

„Wat dunkt u er van ?" vroeg Marie aan juffrouw Ophelia.

„Dat hangt af van de gewoonte," antwoordde Ophelia. „gi,j zult daarin beter kunnen oordeelen dan ik."

„Waarlijk," klaagde Marie, „ik heb geen enkel kleed dat ik kan dragen, en daar ik in de volgende week de huishouding denk op te breken en van hier te gaan, moet ik toch wel tot het een of ander besluiten."

„Gaat gij reeds zoo spoedig vertrekken?"

„Ja, St. Clares broeder heeft mij geschreven, en hij en mijn zaakwaarnemer denken, dat het beter is, het huisraad en de slaven naar de verkooping te zenden en de plaats aan den advocaat in handen te laten."

Sluiten