Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik wenschte u gaarne over iets te spreken," zeide Ophelia. „Augustinus heeft aan Tom zijn vrijheid beloofd, en daartoe reeds eenige door de wet gevorderde stappen gedaan. Ik hoop, dat gij uw invloed zult willen aanwenden om die belofte te vervullen."

„Daar zal ik mij wel buiten houden!" antwoordde Marie scherp. „Tom is de beste van al de bedienden, en ik kan er dus niet in toestemmen. En wat zou hij bovendien met de vrijheid doen? Hij heeft het, zoo als nu, veel beter."

„Maar hij verlangt er toch zou vurig naar, en zijn meester heeft ze hem beloofd," antwoordde Ophelia.

„Ja, ik geloof gaarne, dat hij er naar verlangt," zeide Marie; „ze verlangen er allen naar; maar ze zijn zulk ondankbaar volk. Bovendien ben ik in alle gevallen een gezworen vijandin van die vrijverklaring. Laat den neger aan de zorg en het opzicht van zijn meester over, dan heeft hij het goed en hij is tot nut; maar schenk hem de vrijheid, en hij wordt lui en wil niet werken; hij begint te drinken, en zal hoe lauger hoe gemeener worden. Ik heb het honderden malen zien beproeven, maar waarlijk, het is geen gunst, als men hen de vrijheid geeft."

„Maar Tom is zoo oppassend, zoo vlijtig en godvruchtig!"

„Och, gij behoeft mij dat alles niet te zeggen! Ik heb er honderden zoo als hij gezien. Hij zal goed wezen, zoo lang men goed acht op hem geeft, dat is alles!"

„Maar bedenk dan toch," zeide Ophelia, „hoe gemakkelijk hij een slechten meester krijgen kan, wanneer hij openlijk te koop wordt aangeboden!"

„Gekheid, anders niet!" hernam Marie. „Het is één tegen honderd, dat een goede slaaf een slechten meester krijgt; de meesters zijn goed, in weerwil van al de praatjes, die er gaan. Ik ben hier in het Zuiden groot gebracht en heb er gewoond, en ik verzeker u, dat ik nog nooit een meester heb ontmoet, die zijn bediende niet

Sluiten