Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat mij ongemoeid, als het u belieft," zeide Adolf fier, terwijl hij zich met de uiterste verontwaardiging oprichtte.

„Hé! zie eens, jongens, dat is nu een van die blanke negers, een van die roomkleurigen, en zoo welriekend!" zeide hij, dichter op Adolf toetredend en met den neus snuivende. »Goede hemel, hij zou goed voor een tabakswinkel zijn; zij konden hem houden om snuif geurig te maken; hij zou een geheelen winkel gaande kunnen houden."

„Ik zeg u, blijf van mij af: verstaat gij mij niet?" hernam Adolf woedend.

„Nu, zie eens aan, hoe teer wij zijn, wij blanke negers. Zie eens aan!" riep Sambo uit, terwijl hij Adolfs manieren op een bespottelijke wijze zocht na te apen; „welk een houding! hoe voornaam ben ik! Zeker bij een goede familie geweest?"

„Ja," antwoordde Adolf. „Ik had een meester, die u allen voor onbruikbaar tuig verkocht zou hebben."

„Nu denk eens na," zeide Sambo, „welk een deftig heer ik ben!"

„Ik behoorde aan de familie van St. Clare," zeide Adolf op trotschen toon.

„Zoo waarlijk! Nu, zij zal blij zijn, dat zij van u verlost is! Mij dunkt, dat zij u gaarne voor een kleinigheid zal willen slijten," duwde Sambo hem grijnzend toe.

Verwoed over deze honende taal, vloog Adolf razend, vloekend en met beide handen naar hem slaande, op zijn plaaggeest aan. De overigen lachten en joelden, totdat de opschudding den eigenaar binnen deed komen.

„Wat nu, jongens? Orde! orde!" riep hij bij het binnenkomen, terwijl hij met een lange zweep om zich heen sloeg.

Allen namen in onderscheiden richting de vlucht, behalve Sambo, die vertrouwende op de gunst, welke zijn meester hem als erkende grappenmaker schonk, op zijn plaats

Sluiten