Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rooden doek van de fijnste stof saamgesteid; haar kleeding is net en smaakvol en van goede stof, die doet zien, dat zij het goed gehad heeft. Aan haar zijde en dicht tegen haar aan, zit een meisje van vijftien jaren — haar dochter. Haar gelaat is schooner dan dat van haar moeder, ofschoon de gelijkenis tusschen beiden duidelijk is op te merken. Zij heeft hetzelfde zachte, donkere oog, maar met lange wimpers, en haar krullend haar is van een schitterende, bruine kleur. Ook zij is met groote netheid gekleed, en haar handen vertoonen weinig sporen van het gewone werk der dienstbaren. Beiden zullen morgen tegelijk met de bedienden van St. Clare verkocht worden, en de man, aan wien zij toebehooren en aan wien het geld ter hand gesteld zal worden, dat zij bij den verkoop opbrengen, en die daarna niet meer aan haar zal denken, is een lid van de Christelijke gemeente te New-York.

Deze beide vrouwen, welke wij Susanna en Emmeline zullen noemen, waren de lijfbedienden van een godvruchtige, beminnenswaardige dame uit New-Orleans, door wie zij op een godsdienstige wijze opgevoed waren geworden. Zij hadden leeren lezen en schrijven; zij waren met zorg in den godsdienst onderwezen, en haar lot was zoo dragelijk en gelukkig geweest, als dat in hare omstandigheden mogelijk was. Maar de eenige zoon van de beschermster dezer vrouwen had het beheer harer goederen en zorgeloos en verkwistend van aard, bracht hij alles door en ging failliet. Een der grootste schuldeischers was het hoofd van het voorname, achtenswaardige huis B & Co. te New-York. Deze twee vrouwen en een hoop plantageslaven maakten een groot gedeelte der aanwezige bezitting uit en zouden nu ten behoeve der schuldeischers verkocht worden; en terwijl wij haar beiden daar zien zitten, flauw beschenen door het maanlicht, dat schaars door de getraliede vensters valt, zullen wij het gesprek beluisteren dat zij met elkander voeren. Beiden weenen, maar beiden

Sluiten