Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tom liet inmiddels zijn aandachtige blikken gaan over de onderscheidene gezichten, die hem omringden, ten einde in hun midden iemand te zoeken, dien hij gaarne zijn meester zoude noemen. Hij zag groote, forsche, ruwe mannen en kleine, pieperige, uitgedroogde wezens, botterikken en opgeblazen mannen die hun medemenschen met dezelfde onverschilligheid opnemen, waarmede zij dat snippers papier doen, die zij met even groote bedaardheid in het vuur of in een prullenmand werpen, al naardat zij het goedvinden; maar wat hij ook zag, een St. Clare zag hij niet.

Eenige oogenblikken voor dat de veiling begon, worstelde zich een kort, breed geschouderd en forsch gespierd man in een gescheurden kiel en een broek, die geheel met slijk en modder bedekt was, door den hoop, gelijk iemand, die drukke bezigheden heeft, en terwijl hij de slaven naderde, bezag hij hen een voor een met het oog van een kenner. Van het eerste oogenblik af dat Tom hem zag naderen, voelde hij een onweerstaanbaren, schoon niet te verklaren afkeer van hem, die toenam, naarmate de man meer in zijn nabijheid kwam. Ofschoon klein van gestalte kon men in hem duidelijk een man van groote kracht zien. Zijn rond, kogelvormig hoofd, zijn groote, lichtgrauwe oogen, zijn ruige wenkbrauwen, en het borstelige, wilde, door de zon verkleurde haar waren al geen innemende kenteekenen; zijn handen waren ongemeen groot, ruw, door de zon verbrand, daarbij vreeselijk morsig, en voorzien van lange nagels, die in een zeer verwaarloosden staat verkeerden. Deze man begon een zeer vrij, persoonlijk onderzoek van de slaven. Hij greep Tom bij de kin, trok zijn mond open om zijn tanden te bezien, liet hem zijn mouwen opstroopen om zijn spieren te toonen, draaide hem heen en weder, liet hem huppelen en springen en loopen om te zien of er iets aan zijn beenen haperde.

Sluiten