Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd gebracht, die weldra haar tocht op de Roode Rivier zoude voortzetten.

HOOFDSTUK XXII.

NAAR HET ZUIDEN.

Daar zit hij, de arme man! met ketenen aan zijn handen, ketenen aan zijn voeten en met een gewicht, nog zwaarder dan die kluisters, op zijn hart. Maan en sterren waren van het uitspansel verdwenen; alles was voor hem voorbij, gelijk de oevers en boomen, die hij nu voorbijtrok, de hoop om naar zijn vaderland in Kentucky, naar vrouw en kinderen terug te keeren. St. Clares huis, met al de schoonheid en pracht, die daar heerschten, het gouden kopje van Eva, met haar oogen als van een heilige, de trotsche, schoone, schijnbaar zorglooze, maar toch altijd goede St. Clare, de uren van gemak en rust — alles was hem ontnomen. — En wat was er voor in de plaats, of wat was hem overgebleven?

Tom had nog niet lang in de houdiug gezeten, waarin wij hem aantroffen, toen Legree bij zijn slaven rondging met dat gebiedend gelaat, 't welk hem zoo zeer eigen was, om allen nog eens in oogenschouw te nemen. Terwijl hij vlak tegenover Tom bleef staan, dien men voor de verkooping zijn besten rok, met breede panden, zijn helder linnen en zijn glimmende laarzen had doen aantrekken, sprak hij hem kortaf met de volgende woorden aan:

„Sta op!"

Sluiten