Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kleine slavendorp; heesche, schorre stemmen twistten met elkander bij den handmolen, waar zij hun deel van het harde koren nog eerst tot meel moesten malen, voordat zij er den koek van konden bakken, waaruit hun sobere avondmaaltijd bestond. Van den vroegen morgen af waren zij in het veld geweest en door de slagen hunner drijvers tot werken aangespoord geworden; want het was nu in het heetste en drukste jaargetijde, en geen middelen bleven onbeproefd, om ieder tot de uiterste inspanning zijner krachten aan te sporen. „Waarlijk," zegt deachtelooze leeglooper, „het katoenplukken is geen zwaar werk." Maar is het dat niet? Ach, het is ook geen groote kwelling, een droppel water op zijn hoofd te voelen vallen, en toch wist de inquisitie geen grootere marteling uit te vinden, dan van oogenblik tot oogenblik bij korte en geregeld terugkeerende tusschenpoozen den eenen droppel na den anderen op dezelfde plaats te doen nedervallen. Zoo ook wordt het werk, schoon op zichzelf niet moeielijk, een straf, wanneer men daartoe uur op uur met getrengheid wordt aangedreven. Tom beschouwde de geheele bende, terwijl zij hem voorbijtrok; maar vruchteloos zochten zijn blikken naar een welwillend broederlijk gelaat. Hij zag niets dan stompe, morrende, verdierlijkte mannen en zwakke, ontmoedigde vrouwen, van welke de sterken de zwakken op zij stieten. Tot laat in den nacht hoorde men nog het gedruisch van het koren malen; want de molens waren klein in getal, vergeleken met de menigte, die zich daarvan moest bedienen, en de meest vermoeiden en zwakken werden steeds achteruitgedrongen door de krachtige slaven, en kregen dus eerst laat hun beurt.

De lange dagreis had Tom hongerig gemaakt; hij viel haast flauw.

„Ziedaar!" zeide Quimbo, Tom een hoeveelheid koren in een ruwen zak voor de voeten werpende, „ga er spaar-

Sluiten