Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaam mee om, oude, want je moet er een week lang mee toe komen."

Tom wachtte tot zeer laat, om zich aan den molen te plaatsen, en nu maalde hij eerst nog voor twee vrouwen met wier volkomen afmatting hij medelijden had, toen' hij zag, hoe moeielijk het haar viel om het koren te malen. Vervolgens raapte hij het overschot der brandende spaanders aan het vuur bijeen, waarop vóór hem reeds zooveel anderen hun koeken hadden gebakken. Dat malen van het koren voor die vrouwen was aan die plaats iets nieuws; het was een daad van barmhartigheid, onbeduidend als zij mocht schijnen, maar het wekte bij die vrouwen een gevoel van dankbaarheid op. Een uitdrukking van vrouwelijke vriendelijkheid verspreidde zich over beider gelaat. Zij belastten zich met het mengen en bakken van zijn koek, en Tom zette zich bij het schijnsel van het vuur neder en haalde zijn Bijbel te voorschijn, want hij gevoelde groote behoefte aan troost voor zijn gemoed.

„Wat is dat?" vroeg een der vrouwen.

„Een Bijbel", antwoordde Tom.

„Ik heb er geen gezien, sedert ik Kentucky verliet." „Dus ben je ook uit Kentucky?" vroeg Tom met belangstelling.

„Ja, ik ben er goed opgebracht ook," antwoordde de vrouw; „ik had nooit kunnen denken, dat ik hier zoude komen," en zij zuchtte.

„Wat is dat voor een boek?" vroeg nu ook de andere vrouw.

„Wel, een Bijbel!"

„Hm! de Bijbel, wat is dat?" vroeg nu de vrouw weder. „Zeg eens, heb je nog nooit van den Bijbel gehoord!" hernam de andere. „Ik hoorde in Kentucky missis er soms uit voorlezen, maar, och Heer, wij hooren hier nooit iets anders dan vloeken en verwenschingen."

Sluiten