Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Lees ons het een of ander voor!" zeide de eerste vrouw nieuwsgierig, ziende dat Tom met alle aandacht in zijn Bijbel tuurde.

Tom las: „Komt tot mij, gij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven."

„Dat zijn goede, vriendelijke woorden," zeide de eene vrouw. „Wie spreekt die?"

„De Heer," antwoordde Tom.

„Ik wou dat ik wist, waar ik dien Heer kon vinden," vervolgde de vrouw, „ik zou tot hem gaan."

„Hij is hier, Hij is overal," antwoordde Tom.

De vrouwen begaven zich naar de hutten, en Tom zat alleen bij het smeulende vuur, dat hem het roodachtig schijnsel in het gezicht wierp.

De zilveren maan verrees statig aan den blauwen hemel en blikte zacht en kalm, gelijk het oog der goddelijke genade neder ziet op elk tooneel van ellende en verdrukking, op den eenzamen zwarten man, die daar met zijn Bijbel op de knieën en met gevouwen handen bij het vuur zat.

Maar troosteloos stond hij op en ging naar de hut, die hem als de zijne was aangewezen. De vloer daarvan was reeds bedekt met afgetobde slapers, en de bedorven lucht dreef hem bijna terug; doch de zware mist was koud en zijn leden stijf van vermoeidheid; hij wikkelde zich dus in een verscheurden deken, die zijn eenig deksel zoude uitmaken, strekte zich op het stroo uit en viel in slaap.

Een vriendelijke stem klonk, terwijl hij sliep, in zijn oor. Hij waande op de met mos begroeide zodenbank in den tuin aan het meer te Pont-Chartrain te zitten, terwijl Eva, met neergeslagen oogen hem uit haar Bijbel voorlas, en hij de woorden hoorde: „Wanneer gij zult gaan door het water ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij

Sluiten