Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, want Ik ben de Heer uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland."

Er was maar een zeer korten tijd noodig om Tom te doen begrijpen, wat er voor hem van zijn nieuw leven te hopen of te vreezen was. Hij was een bekwaam en onvermoeid werkman in alles wat hij ondernam, en uit gewoonte en beginsel beide nauwgezet en trouw. Kalm en tevreden van aard, hoopte hij door rusteloozen ijver voor zich zelf ten minste een deel van het kwaad te overwinnen, dat aan zijn tegenwoordigen toestand verbonden was. Hij zag ellende en mishandeling genoeg om hem bedroefd en treurig te maken; doch hij besloot om met godsdienstig geduld voort te werken en zich over te geven in de handen van Hem, die rechtvaardig oordeelt, en de hoop niet op te geven, dat er te eenigertijd een uitweg voor hem zou komen.

Legree gaf in stilte acht op Toms handelingen. Hij beschouwde hem weldra als een zijner beste werklieden, en toch gevoelde hij een zekeren afkeer van hem; het was de aangeboren haat, dien hij tegen het goede koesterde. Het viel hem duidelijk op, dat wanneer, gelijk dikwijls het geval was, zijn heftigheid en wreedheid den weerlooze trof> Tom dit opmerkte, en deze dan alles deed wat in zijn vermogen was, om den ongelukkige te beschermen tegen de verdrukking van den sterke, en op velerlei wijzen een teederheid van gevoel, een innig medelijden voor de lijders openbaarde. Dit zoo nieuw en zoo vreemd verschijnsel werd met een vijandig oog bespied door Legree, die - zich voornam om de eerste gelegenheid, die zich zou aanbieden, waar te nemen om al zijn toorn op het hoofd van den weerloozen Tom te doen nederdalen. Zulk een gelegenheid deed zich al zeer spoedig voor. Op zekeren avond, toen de arme slaven vermoeid en langzaam hunne schreden naar de weegkamer richtten, waar hun

Sluiten