Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXIV.

DE ZEGEPRAAL.

„Gode zij dank, die ons de overwinning gegeven heeft."

Lang voor dat Toms wonden waren geheeld, beval Legree, dat hij weder geregeld aan het werk op het land deel zou nemen. Nu waren het dag aan dag vermoeienis, afmatting en kwelling, die nog verzwaard werden door allerlei onrechtvaardige en onwaardige behandelingen, gelijk alleen een laag, boosaardig gemoed kan uitdenken. Tom verwonderde zich niet langer over de gewone stompheid van zijn lotgenooten; ja, hij gevoelde zelfs, dat ook bij hem het blijmoedige, kalme karakter, dat zijn vroeger leven kenmerkte, begon te wijken, en dat ook op hem die akelige toestand een invloed had, waartegen hij zich niet dan met moeite kon verzetten. Hij had zich gevleid, dat het hem vergund zoude zijn om in oogenblikken van ontspanning en vrijheid zijn Bijbel te lezen; maar die oogenblikken kwamen voor hem niet. Legree ontzag zich niet om in het heetste van het jaargetijde, zoowel op Zondag als op werkdagen, alle handen aan het werk te zetten. En waarom zou hij dat ook niet? Hij verkreeg er immers zooveel te meer katoen door, en moesten daardoor dan ook al enkelen bezwijken, welnu, dan waren er beteren voor hem te koop. In den beginne placht Tom, wanneer hij zijn dagwerk had volbracht, bij het flikkeren van het vuur een paar verzen in zijn Bijbel te lezen; maar nadat hij die wreede mishandeling had ondergaan, kwam hij meestal zoo uitgeput thuis, dat het hoofd hem duizelde, zijn oogen hun dienst weigerden, en hij naar

Sluiten