Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het oogenblik verlangde, waarop hij zich met de anderen op den harden, kouden grond kon uitstrekken.

Weken en maanden gingen zoo voorbij, terwijl Toms hart met droeve zorg en innigen, diepen kommer worstelde. Hij dacht aan juffrouw Ophelia's brief, aan zijn vrienden in Kentucky geschreven, en vurig bad hij, dat God hem uitkomst zenden mocht. Dag aan dag troostte hij zich met de flauwer en al flauwer wordende hoop, dat er iemand ter zijner redding zou komen opdagen, en zag hij niemand komen, dan trachtte hij met alle geweld de bittere gedachten in zijn ziel te onderdrukken, dat het te vergeefs was, God te dienen — dat God hem had vergeten.

Op zekeren avond zat hij, moedeloozer en treuriger dan ooit, bij de laatste flikkerende spaanders, waarop hij zijn soberen avondmaaltijd bereidde. Hij wierp nog eenig sprokkelhout bij het vuur en trachtte de vlam helderder te maken; vervolgens nam hij den Bijbel uit zijn zak. Daar zag hij al de aangehaalde teksten en uitspraken, die zoo dikwijls tot in het binnenste zijner ziel waren doorgedrongen; woorden, gesproken door patriarchen, zieners, dichters en wijzen, welke van den vroegsten tijd af den mensch moed en hoop hadden ingefluisterd; stemmen uit de groote wolke van getuigen, die ons steeds op de loopbaan des levens gadeslaan. Had het woord Gods zijn kracht verloren, of was het verzwakte oog, het afgetobde verstand niet langer vatbaar voor de aanraking van den bezielenden geest, die daaruit sprak? Diep zuchtend stak hij zijn dierbaren Bijbel weder bij zich. Een woeste lach deed hem opschrikken — hij zag op — Legree stond vlak voor hem.

„Ha! oude jongen," zeide deze, „het schijnt dat je godsdienst al niet zeer krachtig meer bij je werkt. Ik wist wel, dat ik er die wel uitdrijven zou."

Die honende taal was meer dan honger, koude en

Sluiten