Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de slagen vielen alleen op den uitwendigen mensch, en niet, gelijk te voren, op het hart. Tom stond daar in de houding der diepste onderworpenheid, en toch kon Legree het niet voor zichzelf verbergen, dat hij zijn macht over zijn slachtoffer verloren had. En terwijl Tom in zijn hut verdween, en hij zijn paard plotseling wenden deed, schoot er op eens een dier flikkeringen door zijn gemoed, waarmede dikwerf het ontwakend geweten de duistere en goddelooze ziel treft. Hij gevoelde levendig, dat het God was, die tusschen hem en zijn slachtoffer stond, en een godslastering kwam over zijn lippen. Die onderworpen, stille man, die door geen boon, noch door bedreigingen, noch door slagen of eenige andere wreedheid van zijn stuk gebracht kon worden, wekte een stem in zijn binnenste, gelijk aan die, welke de booze eenmaal in den mond van een bezetenen had gelegd: „Wat hebben wij met u te doen, Jezus van Nazareth? Zijt gij gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?"

Toms geheele ziel vloeide over van innig medelijden met de arme wezens, door welke hij was omringd. Het scheen, dat voor hemzelf al het leed dezer wereld was geweken, en hij verlangde, om uit die verborgen schatkamer van vrede en vreugde, waarmee hij van boven begiftigd was, ook hun iets ter verlichting hunner kwalen en smarten te doen toekomen. Het was zoo, gelegenheden daartoe waren zeer schaarsch; maar op den weg naar het veld en terug, en gedurende de uren van den arbeid vond hij toch nu en dan oogenblikken, om den uitgeputten, den versaagden en moedeloozen een helpende hand toe te steken. De arme, verstompte, verdierlijkte wezens konden hem in den beginne nauwelijks begrijpen, maar toen hij week uit week in, maand uit maand in zoo voortging, begon zich weder in hun verstompte harten een stem des gevoels te doen hooren, die daar sedert lang was uitgedoofd. Langzamerhand en onmerkbaar begonnen zij

Sluiten