Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aannemend geloof, dat daarvan de grondslag is, is bij dit ras meer dan bij eenig ander een aangeboren karaktertrek, en dikwerf ziet men het bij hen, dat een nietig zaadkorreltje der waarheid, als door den adem des toevals in het hart van den onkundigsten gedragen, is opgeschoten en een overvloed van vruchten heeft gegeven, welke men bij menschen van hoogere ontwikkeling vergeefs zoekt.

Weken en maanden gingen voorbij, die gekenmerkt waren door tooneelen eener wreedheid, waarvan het verhaal u, mijne lezers, zou doen ijzen. Maar nu komen wij eerlang aan het laatste bedrijf van Oom Toms leven. Niettegenstaande al de waakzaamheid van Legree en zijn handlangers, gelukte het aan twee arme vrouwen om te ontsnappen. Zij werden in alle richtingen met alle kracht en macht nagezet; alle mogelijke onderzoek werd in het werk gesteld, maar vruchteloos.

„Sambo," zeide Legree, terwijl hij zich in zijn woonkamer verdrietig op een rustbank uitstrekte, „ga heen en breng Tom hier. Die kerel is de oorzaak van alles en is met de zaak bekend; hij zal het mij bekennen en ik wil weten wat hij weet."

Ofschoon Sambo en Quimbo elkander een doodelijken haat toedroegen, vereenigden beiden zich echter in een niet minder bittere vijandschap tegen Tom. Legree had hun eerst gezegd, dat hij hem tot algemeen opzichter bij zijn afwezigheid had gekocht, en dit had hun kwaadwilligheid en hun afgunst reeds opgewekt, die in hun lage, slaafsche zielen nog erger werd, hoe duidelijker zij zagen, dat hij het voorwerp van huns meesters wrevel en afkeer was. Quimbo verwijderde zich dus met de grootste bereidvaardigheid om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.

Tom hoorde de boodschap met een onheilspellend voorgevoel, want hij was inderdaad vertrouwd met het geheele plan der ontvluchte vrouwen. Hij kende insgelijks

Sluiten