Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij arm, ellendig mensch!" zeide hij, „gij kunt niets meer tegen mij doen! Ik vergeef u van ganscher harte!" en na deze woorden gesproken te hebben, viel hij in een diepe bezwijming.

„Ik geloof, dat het met hem gedaan is," zeide Legree, terwijl hij een stap voorwaarts deed en zijn oogen strak op zijn slachtoffer vestigde. „Ja, het is met hem gedaan! Zoo heeft hij dan eindelijk den mond gesloten, de ellendige!"

Maar Tom was nog niet geheel bezweken. Zijn wonderbare woorden en vrome gebeden hadden de harten dier verdierlijkte zwarten geroerd, die de werktuigen van Legree's wreedheid waren geweest en toen deze zich verwijderd had, namen zij hem op en trachtten hem in het leven terug te roepen door alle middelen, welke hun onkunde wist te vinden, alsof zij hem daardoor een weldaad bewezen.

„Wij hebben iets heel slechts gedaan," zeide Sambo; „ik hoop, dat het voor rekening van massa komt en niet voor de onze."

Zij wieschen zijn wonden; zij maakten een bed van afgekeurd katoen om er hem op neder te leggen, en een hunner vroeg Legree om een teug brandewijn, onder voorwendsel dat hij vermoeid was en die voor zichzelf behoefde. Hij verkreeg die, keerde er mede terug en goot ze Tom in den mond.

„O, Tom," zeide Quimbo, „wij zijn afschuwelijk wreed tegen je geweest!"

„Ik vergeef je van ganscher harte alles wat je deedt!" antwoordde Tom op een zwakken toon.

„O Tom, zeg ons toch, wie die Jezus is!" vroeg Sambo, „die Jezus, die je zoo heeft bijgestaan gedurende den geheelen avond! Wie is hij?"

Deze woorden deden den zwakken bezwijmenden man weer iets bijkomen. Hij sprak met een heldere, kracht-

Sluiten