Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet; maar het is mij, alsof ik hen allen liefheb. Ik bemin ieder wezen aan alle plaatsen, het is niets dan liefde, dat in mij woont! O, massa George, hoe heerlijk is het, een Christen te zijn!"

Op dit oogenblik begonnen de laatste krachten, die door de vreugde over het wederzien van zijn jongen meester bij hem waren opgewekt, te wijken. Een plotselinge zwakheid overviel hem; hij sloot zijn oogen, en die geheimzinnige en verhevene verandering verspreidde zich over zijn gelaat, die verkondigde, dat hij een andere en betere wereld naderde.

Zijn ademhaling begon kort en moeielijk te worden, en zwaar joeg zijn breede borst. De uitdrukking van zijn gelaat was die van een overwinnaar.

„Wie, wie zal ons scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is?" stamelde hij met een stem, die tegen de zwakheid des doods kampte, en met een glimlach viel hij in den jongsten slaap.

George zat daar met plechtigen eerbied vervuld. De plaats, waar hij zich bevond, scheen hem heilig te zijn, en terwijl hij de levenlooze oogen sloot en opstond, was er slechts ééne gedachte die hem bezig hield, de gedachte, door zijn ouden trouwen vriend uitgedrukt met de woorden: „Hoe heerlijk is het Christen te zijn!"

Hij keerde zich om. Legree stond half morrend, half verstomd aan zijn zijde.

Er was iets in dat tooneel van den dood geweest, dat het natuurlijke vuur der jeugdige hartstocht had gedoofd. De tegenwoordigheid van dien man was hem enkel walgelijk, en hij gevoelde zich gedrongen om zoo spoedig mogelijk en zonder veel tot hem te spreken zich van daar te verwijderen.

Terwijl hij zijn levendige, donkere oogen op Legree vestigde, zeide hij kalm, terwijl hij op den doode wees: „Gij hebt alles van hem gehad, wat gij van hem krijgen

Sluiten