Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plantage, en bij alle zuidelijke gerechtshoven is de getuigenis der kleurlingen ongeldig.

„Wel beschouwd, wat een lawaai om een dooden neger!" schimpte Legree.

Die woorden werkten als een vonk in een vat buskruit. Voorzichtigheid behoorde nimmer tot de deugden van den Kentuckischen jongeling. George wendde zich om en bracht Legree in zijn toorn een zoo geduchten slag in het aangezicht toe, dat die hem ter aarde deed storten, en terwijl hij daar boven hem stond, ziedende van toorn en woede, geleek hij op den evenals hij genaamden held uit de oudheid, op het oogenblik dat deze over den vreeselijken draak zegevierde.

Zulk een behandeling schijnt echter bij sommige menschen een goede uitwerking te hebben. Indien iemand hen op een gevoelige manier voor zich in het stof doet bukken, is het alsof zij eerbied voor hem beginnen te voelen, en Legree was een van die soort. Toen hij opstond en het stof van zijn kleederen schudde, oogde hij den zich langzaam verwijderenden wagen met een blik van ontzag na, en hij opende zijn mond niet eerder, voordat die geheel en al uit zijn gezicht verdwenen was.

Buiten de grenzen der plantage had George een droge, zandige plek, door eenige weinige boomen overschaduwd, opgemerkt; hier groeven zij het graf voor het lijk van den armen Tom.

„Zullen wij hem den mantel afnemen, massa?" vroeg een der negers, toen het graf gereed was.

„Neen, neen, begraaf hem daarin. Het is alles, wat ik u nu nog kan geven, goede Oom Tom, en dat zult gij hebben!"

Zij wikkelden hem in den mantel, en de mannen gingen zwijgend met hun taak voort, totdat het graf gevuld was. Zij hoogden bet op en bedekten het met groene zoden.

OOM TOM. 21

Sluiten