is toegevoegd aan uw favorieten.

De bonte wei

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■*m I. DE JACHT OP DEN SPRIET, m*-

Hoen ik een jongetje was van een jaar of vier, waren de dieren buiten nooit bang voor mij en ik ook niet voor hen. Wel lag ik ’s avonds in mijn bed vaak te droomen van duivels en gedrochten, maar dat kwam door de prenteboeken en door de verhalen van welmeenende ouders en vrienden. Ook was ik er vrij zeker van, dat al die verschrikkelijkheden alleen voorvielen in ver verwijderde landen of in ’t middernachtelijk uur en zoo kuierde ik dan altijd welgemoed rond in onzen tuin, over de fortwallen, of door de weiden. Wij woonden namelijk heel eenzaam in een fort, dat ergens stond tusschen weiden en heiden.

Soms ging ik met mijn broers, maar ook dikwijls alleen en dan had ik natuurlijk de mooiste ontmoetingen. Ik kan mij niet herinneren, dat ik expres uitging, om naar dieren en planten te zien (dat doe ik tegenwoordig wel) maar het liep er toch altijd op uit, dat ik ging zitten op een plekje, waar veel mooie bloemen stonden en dan kwamen vanzelf allerlei leuke dieren tusschen het gras of op de bloemen te voorschijn.

Ik zie ze nog loopen, de groote gouden loopkevers, blinkend zwart van onderen en met lange roode beenen, violette loopkevers (7), bronzen loopkevers (8). Onzelievenheersbeestjes bij dozijnen liepen over de wikken met de mooie blauwe bloemen. Een