Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. dat de defensieuitgaven geheel zijn weggelaten aan de uitgavenzijde en

3°. dat nog dubieus is of de afsluitdijk op zichzelf per saldo wel voordeelen zal geven en niet veeleer nadeelen, bij welk laatste punt schrijver verwijst naar het onderzoek der Staatscommissie inzake de hoogere waterstanden (benoemd bij K. B. dd. 4 Juli 1918).

Alvorens over te gaan tot een beoordeeling dezer beschouwingen merkt de Zuiderzeeraad op, dat, ook na de door den Heer VAN Gijn aangebrachte correctie, zijne becijfering niet als juist kan worden aanvaard. Inde eerste plaats toch zullen de geraamde kosten der werken ad ƒ 222.000.000 bij een rentevoet van 7 % aan het einde van het 35e jaar met rente op rente niet zijn gestegen tot /' 1.060.000.000, zooals werd aangenomen, maar tot ƒ1.015.000.000. Inde tweede plaats zal wegens de indirecte voordeelen van den afsluitdijk, aannemende dat die ten hoogste ƒ3 millioen per jaar zijn van het 15e tot aan het einde van het 35e jaar deswege niet 131 millioen, maar 139 millioen zijn genoten.

Inde derde plaats is er geen reden om aan te nemen, dat de indirecte voordeelen gemiddeld slechts van het 15e jaar af genoten worden en voor een deel niet reeds dadelijk na de voltooiing van den afsluitdijk, t.w. vanaf het begin van het 10e jaar. Maakt men de berekening op dezen grondslag, dan moet voor de indirecte voordeelen in plaats van 131 millioen aan het einde van het 35e jaar 213 millioen in rekening worden gebracht. Dooreen en ander zou het eindresultaat dus 45 plus 82 of 127 millioen gunstiger worden en derhalve het tekort worden teruggebracht tot 93 millioen (uitgaande van een rentevoet van 7 %)•

Intusschen zijn deze verschillen voor de berekening op het einde van het 35e jaar betrekkelijk slechts van ondergeschikten aard.

De hoofdzaak van de beschouwingen van Mr. van Gijn is van geheel andere strekking, en geeft aanleiding achtereenvolgens te behandelen de volgende onderwerpen: a. Tijdstip waarop eventueel verlies in rekening moet worden gebracht. b. Indirecte voordeelen der afsluiting. c. Rentevoet van 7 °/0 gedurende een reeks vanjaren.

2°. een bedrag vertegenwoordigende de indirecte voordeelen van den afsluitdijk ; hiervoor meent de schrijver een bedrag te mogen aannemen, gelijkstaande met de kosten van den afsluitdijk ad f 661 /4 millioen. Uit dien hoofde komt schrijver tot een netto-tekort groot ƒ 284 millioen. In zijn tweede artikel, voorkomende inde „Haagsche Post” van 8 Januari 1921, deelt de Heer VAN Gijn mede, dat de aangehaalde redeneering een fout bevatte. De indirecte voordeelen van den afsluitdijk worden niet eerst na 35 jaar, maar reeds veel eerder genoten, zoodat men, wanneer men een berekening maakt van den toestand na de voltooiing van het veheele werk, de taxatie dier indirecte voordeelen eveneens met rente 'öp rente tot het einde van het 35Bte jaar moet berekenen. Aannemende, dat de indirecte voordeelen gemiddeld van het 15de jaar genoten worden, „dan is er” aldus de Heer van Gijn, „het 35ste jaar (7%) rente op rente gerekend, deswege al ƒl3l millioen genoten”. Het bovenvermelde netto-tekort moet dus met laatstgemeld netto-bedrag dat schrijver gelijkstelt met ongeveer een vierde van het vroeger door hem becijferde tekort worden verminderd. Hierbij merkt de schrijver echter op: I°. dat nu ook vermoedelijk voor de indirecte voordeelen een te hoog cijfer is aangenomen;

Sluiten