is toegevoegd aan uw favorieten.

Van den mond der oude Middelzee

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De cichoreiteeh is vrijwel geheel beperkt gebleven tot Zeeland, Zuid-Holland en Friesland. De eerst fabriek werd in ons land opgericht in 1773. Tot welke uitbreiding het kwam, hier in het N.W. der provincie, kan men eenigszins opmaken uit het volgende : In het eerst van de tweede helft der vorige eeuw waren er inde dorpen St. Anna Parochie, St. Jacobi Parochie, Minnertsga en Berlikum, plaatsen die in elkanders onmiddellijke nabijheid liggen, een 15-tal drogerijen, waarvan de meesten 3 eesten hadden. Verder vond men er 2 branderijen, één te Minnertsga en één te Berlikum die het gedroogde product brandden enz. en het zoo pasklaar maakten voor de consumptie. Thans is dat alles geheel verdwenen en herinnert nog een enkele typische schoorsteen op het dak aan die vergane grootheid. In het allerlaatst der tachtiger jaren van de vorige eeuw is in deze streken met de verschijning van de beetwortel inde rij der cultuurgewassen, de teelt van de cichorei in één slag verdwenen, omdat ze niet meer loonend was. Dat is jammer, erg jammer geweest want de cichorei was een vrucht, die zoowel voor den verbouwer als voor den arbeider van groote beteekenis was, en wel hierom : Bij het graven van cichorei werd het land zoo diep en zoo mooi omgezet, als anders noch met ploeg noch met spade gebeurde. Het land lag dan weer prachtig klaar, om het volgend voorjaar met alleen een beetje eggen het zaad voor een nieuwe vrucht te ontvangen. Dat late en diepe omzetten van den grond in verband met de weinige gelegenheid, welke het onkruid kreeg om zich te ontwikkelen, daar het loof tot den oogsttijd het land bleef bedekken, was een gunstige gelegenheid om „skjin lan” te krijgen. Met geen ander gewas werd vooral „woartelfülens” (wortelonkruid) als „klimmer”, „reaskonk” enz. zoo goed bestreden. Ook gold de verbouw van cichorei als een uitstekend middel ter bestrijding van de schadelijke „rydnagel” (ritnaald, larve van de kniptor-elator segetum). Ook de einden van het land, die zich tengevolge van grondbewerking en regenval langzamerhand altijd eenigermate verhoogen, kon men zonder extra afgraven of „moudboerd” weer tot normale hoogte laten zakken, door steeds op de „krün” het midden van het land in te zetten en de daar ontstane hoogte te verspreiden. In het kader van het veldwerk paste cichoreibouw eveneens uitstekend. Eerstens werd er zeer veel dagloon aan verdiend en in de tweede plaats viel het meeste werk ineen tijd van het jaar, dat het landwerk uit anderen hoofde reeds belangrijk begon te slinken. Eerst nadat de aardappelen waren gedolven kwam het cichoreigraven aan de orde. Met ruw herfstweer kan een enkele zware bui heel veel landwerk, bederven of onmogelijk maken. Niet alzoo bij cichoreigraven. Een booze bui maakte men voor lichaam en kleeren achter de „sküle” onschadelijk en dan kon het werk dadelijk weer opnieuw beginnen. Eén rij, die misschien wat lastig was te graven, maar dan had men dadelijk weer „skjin wirk”. Er zijn verschillende variëteiten van het gewas bekend als • Maagdenburger, Hollandsch, Belgisch en Friesch. In deze streken

CICHOREIBOUW.

35