is toegevoegd aan je favorieten.

Wet van 8 December 1902 (Staatsblad no. 208) tot uitvoering van artikel 75 der ongevallenwet 1901 (Beroepswet), met aanteekeningen aan de gewisselde stukken en de discussieën in de beide Kamers der Staten-Generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij koninklijke boodschap Van 28 Mei 1901 (1)

waarvan de memorie van toelichting was onderteekend

door den minister van justitie, Cort van der Linden, en den minister van waterstaat, handel en nijverheid' Lely, en het ontwerp, dat, na het afdeelingsonderzoek der tweede kamer, bij het antwoord op het verslag der commissie van voorbereiding, door den toenmaligen minister van justitie, Loeff, en den minister van binnenlandsche zaken, Küyter, voor het eerste werd in de plaats gesteld.

Het voorname verschil tusschen de beide ontwerpen lag in de wjjze, waarop volgens die ontwerpen de raden van beroep zouden worden samengesteld. Men begrijpt dat, hoe voortreffelijk ook „de wijze

(1) Gedrukte stukken, zitting 1900-1901 no. 236. Een aewiizitrd

n°uJ"Pr met eene daarbij behoorende nota werd door de ml nisters Loeff en Kuïpeb ingezonden (gedrukte stukken ?it tmg 1901-1902, no. 78). Het eerste gedeelte van hot verslag' van

sLnïT VaD TI°-0rbereiding ,de heere» Köell, voorzitter Smidt, No lens, van Lobex Sels en van Idsinga) was gedateerd'

5 Augustus 1902. Daarbij was gevoegd een nader gewijzigd

ontwerp van wet, waarover nog een mondeling „verleg p"aats

had tusschen de commissie van voorbereiding en den minister

van justitie. Het verslag van het mondeling overleg kwam uit

op 12 Augustus 1902. De openbare beraadslaging in de tweede

®r j!ad Plaats van 3 tot 12 September 1902; de eindstemming

tweed tePtembe'' daa—Het ontwerp da T de

ZZ T' Z0,ndel' h00fdel"ke «temming werd aangenomen f Decembel' "1 de eerste kamer eveneens zonder hoof.' del,jke stemming goedgekeurd. Het voorloopig verslag van de commissie van rapporteurs der eerste kamer was van 31 Ootn ber 1902, het eindverslag van 7 November