is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonderbaarlijke, graauwlederen muts: en zijn voorhoofd blijkt zoo heel eng niet. — „Maar had ik dan geen'aanleg," vaart hij voort, „school er dan geene geestigheid in mijne breinkas?" — en hij tikt er tegen; was T r ij n t j e C o r n e 1 i s niet aardig, niet weergaas aardig? Als de latere jongens van de lier aan mijne invallen de helft van de moeite hadden besteed, die ze voor uitheemsche prullen over hadden, ze zouden nu op een oorspronkelijk tooneel mogen storten, — ik ben gewroken ! — maar ten koste van het volk! Is het niet jammer, broer?" De bogchel is al zóó gewend alleen voort te praten, dat hij niet eens antwoord afwacht: „Als ze mij vrijheid hadden gegeven voort te hekelen, als ze vermoed hadden wat er in mij school, zie, liet jongsken, dat moeder het laatste doldijnde, het zou nooit Jan Salie zijn geworden; ik had hem zoo lang uitgelagchen, hem zoo lang gestriemd, tot hij zich had gebeterd; ik heb van mijn Huygens geleerd :

„lek spaer de roede niet, ik heb het volk te lief.""

„Jan rlaassen!" herneemt de andere zoon Jan's, tot wien onze vriend uit de poppenkast zijne ietwat paradoxale klagt rigtte, „als hadden komt, is hebben te laat; maar één ding beloof ik je, wanneer Jan Salie zich van zijn hofje waagt, dan zal ik het al wie hem opnemen loof maken, ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek.''

„Aan tafel, broertje; aan tafel," herneemt Jan Klaassen, „vader stelt den feestdronk al in."

En hoe luidt hij?

„Oranje in 't hart, en niemands slaaf!"

Een luid „hoezee!" beantwoordt den toast: Jan is met Oranje gevallen; Jan rigtte zich met Oranje weder op. „Oranje boven!* blijve zijn eigenaardige volkskreet.