is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steun en hulp mogen vinden; opdat zij schijnbaar in vijandelijke gelederen tegen elkander over staande, bij du wereld niet het minste vermoeden hunner vereeniging doen oprijzen, wanneer zij de een den ander voorthelpen, optillen en lofzingen.

Daarom eindigt hij:

Heerlijke unie! die te hechter mag heeten, omdat zij tot grondslag heeft, wat er ter wereld eerbiedwaardigst is... ons belang! (De hand run Montlucar grijpende, die haar nemen laat.) Kom, uwe band! (Tot Edmond.) De uwe!...

edmond (de zijne met kracht terugtrekkende).

Nooit! ik was ver van te vermoeden, hetgeen ik hier hoorde en zag; ik wist niet, dat gij bet tot eerste voorwaarde uwer vriendschap maaktet, dat men zijne overtuiging en zijn geweten ten dienste uwer belangen veil heeft... Xeen, ik geef zulke waarborgen niet, en ken niemand het regt toe, die van mij te vergen.

bernardet.

Een verrader in ons midden!

dutillet.

Een verrader der vriendschap!

En na een vurigen uitval tegen die schennis van dat heilig gevoel verlaat Edmond de Varennes eensklaps het vertrek, hij aarzelt noch onderhandelt, — hij overweegt niet, in hoe ver het geoorloofd is zijn kiesch eergevoel voor zijn maatschappelijk belang geweld aan te doen; hij is nog jong. Ik schat, als Scribe, de jeugd om die edelmoedigheid hoog.

Bernardet vraagt aan de Montlucar, wie de jongeling is, die hen aldus in het aangezigt durft wederstaan; zoodra deze hem ingelicht heeft, hooren wij:

oscar.

Iemand, wiens vriend gij wenscht te worden, wiens pleidooijen gij met wezenlijke belangstelling gehoord hebt.