is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezel zijne misdaden bloot leggen. — Ai, mijnheer de dief, Reinaert, dat gij mij liefhebt, vroeger en nu, dat hebt gij, zonder uw eigen vel te wagen, laten blijken aan mijne boden: aan Tybaert den armen man, aan mijn heere Bruin dien ge daar ziet met zijn kruine al bloed. Ik wil u niet lange schelden want ik meene dat uw kele het boeten zal seffens of nog eer.

— Nomine patrum Christum filye, prevelde Reinaert en hij sloeg een kruis en dan sprak hij:

Of mijn heere Bruin zijn kruine nog klaar bloed is, of hij geslegen werd of gescholden, wat heb ik daarmede te maken? Wanneer hij Lamfroot's honing stal en dien man schade veroorzaakte en daarom slagen kreeg, ware hij niet te bloot geweest en ergens toe goed, hij was tóch sterk genoeg om zijn onrecht te wreken eer hij als een lafaard in 't water vluchtte!? Van een anderen kant, wat Tybaert de kater betreft, dien ik herbergde en in mijn huis ontving moet ik het ontgelden als hij tegen mijnen raad uitging om te stelen bij den koster en daar een ranseling kreeg? Dan mag ik mijn planete wel vervloeken !

Verder zegde Reinaert: Koning Nobel, wie is er die het betwijfelt: dat gij moogt uitrichten met mij 't geen u belieft? Hoe goed mijne zaken ook staan, gij moogt mij genade schenken of mij veroordeelen. Wilt gij mij koken of braden, hangen of verblinden, ik en kan er niets tegen doen. Alle dieren staan in uw bedwang: gij zijt groot en ik ben een nietig ding, mijn verweer is klein en 't uwe is groot: bij God, al sloegt ge mij den kop in dat ware u toch maar een kranke wrake, want daarmede en ware in dit pleit het recht nog niet bewezen.

Terwijl Reinaert nog bezig was, sprong Belijn de ram recht en kwam vooruit met Hawi zijn vrouwe.