is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. — HOE REINAERT AAN DEN KONING UITSTEL VRAAGT EN ZIJN ALGEMEENE BIECHTE SPREEKT VOOR AL HET VOLK. — — — — —

P dien zelfden stond gebood de koning dat Boudewijn de ezel, den hoorn zou steken en teeken doen aan 't volk om in grooten stoet en in rang, Reinaerts uitvaart te geleiden en de halsrechting bij te wonen.

Maar Reinaert was al op 't verhoog gesprongen en zijn stemme ging boven al 't gedruisch:

— Een oogenblik, genadige koning! riep hij: laat de galge eerst gereed maken daar ik aan hangen zal; binstdien wil ik hier vóór al het volk, mijn biechte spreken en mijn zonden belijden ter uitboetinge en afkortinge mijner schuld. Ik ga sterven, ik zie de dood vóór mijne oogen en kan ze niet meer ontgaan, daarom doe ik u de bede dat ik ter stichting van de menigte en voor mijn eigen zaligheid u die belijdenisse mag doen; het kan voor menigeen tot lesse dienen en een spiegel zijn — ook is het beter dat 't volk wete wat ik misdreven heb opdat er later niemand en zou moeten ontgelden voor eenige misdaad die ik zelve bedreven heb.

Het meerendeel van de toehoorders kreeg medelijden, ze waren bovendien uiterst nieuwsgierig, ze zeiden onder malkander: het is in zijn eigen toch maar een geringe bede die hij te doen heeft en zij vroegen aan den koning dat hij het zoude toestaan.

— Biecht dan maar op, zei de koning en hij stond het toe.

Reinaert hield zich op zijn verhoog als een bedrukte man en liet zijn droeven blik gaan over de menigte,

REINAERT DE VOS I.

5