is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuw geneeskundig wetboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 10. De ingevolge de Ongevallenwet 1901 verzekerde is bevoegd aan het bestuur der Rijksverzekeringsbank machtiging te vragen om zich, mocht hij door een ongeval worden getroffen, waaraan hij aanspraak op schadeloosstelling vanwege de bank zou ontleenen, voor rekening der bank door een nietingesclireven deskundige te doen behandelen.

Eene machtiging, als bedoeld in het eerste lid, kan ook worden gevraagd door den door een ongeval getroffen verzekerde, die aanspraak heeft op schadeloosstelling vanwege de bank.

Een verzoek om machtiging, als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt door of namens den verzekerde schriftelijk gedaan. In het verzoekschrift worden de redenen vermeld, welke daartoe aanleiding geven, zoomede de naam en de woonplaats van den deskundige, door wien de getroffene zich wenscht te doen behandelen. Bij het verzoekschrift wordt gevoegd eene onderteekende schriftelijke verklaring van den deskundige, dat hij bereid is de in het eerste of tweede lid bedoelde behandeling voor rekening der bank tegen het in art. 2 bedoelde tarief te doen.

Het bestuur weigert de gevraagde machtiging alleen dan, wanneer het van oordeel is, dat do opgegeven redenen voor het verzoek ongegrond zijn. De beslissing van het bestuur is in geval van weigering met redenen omkleed.

Art. 11. Indien liet bestuur der Rijksverzekeringsbank met een werkgever, eene vennootschap of eene vereeniging eene overeenkomst als bedoeld in art. 28 heeft gesloten, verleent de bank de genees- en heelkundige behandeling, bedoeld in art. 1, welke zij aan een door een ongeval getroffen verzekerde moet verstrekken, mits onder diens toestemming, door tusscbenkomst van den werkgever, in wiens dienst den getroffene het ongeval is overkomen, of van de naamlooze vennootschap of vereeniging, voor wier risico de getroffene volgens art. 52 der Ongevallenwet 1901 mocht zijn verzekerd geweest.

Art. 12. Het bestuur der Rijksverzekeringsbank kan te allen tijde, indien naar zijn oordeel daarvoor eene gegronde reden bestaat, de genees- en heelkundige behandeling, bedoeld in