is toegevoegd aan je favorieten.

Studiën in Nederlandsche namenkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feilen stroom , in het groote West-Friesche zeegat tusschen het eiland Texel en den hedendaagschen vasten wal van NoordHolland, ook door de Friesche zeelieden steeds de Helsdoar genoemd. (Halbertsma, Lexicon frisicum , bladz. 407). En ook in den naam van D e (11) Helder (Heldoar, Hella-dora), eene zeer oude buurt aldaar aan den vasten wal, die thans wel eene stad inag heeten, is een toegang tot de onderwereld nog te herkennen.

Verder op in Holland en in andere Nederlandsche gewesten (Hel of Maasmond, door de Romeinen tot Helium verlatijnscht — Hellevoet, den Briel of Br iel le — Brie-Helle, de Breede Hel ? enz. enz.) zullen \<*ij de heinamen maar niet vervolgen, maar tot Friesland weêrkeeren.

Kene bijzondere helleplaats bestaat er nog in Wonseradeel, tusschen de dorpen Pingjum, Witmarsuin en Wons. Daar draagt een laag gelegen stuk land , waar in oude tijden eene kolk was, nog heden den naam van Okkehel, Okke-Hel, de hel van Okke, van den man die Okke heette. Die kolk was eertijds uit zee, uit liet Flie, toegankelijk, en diende als haven van Pingjum. K11 die Okke was een zeeman, een ruwe heiden, die vloekte en God lasterde, en die, tot straf daarvoor, met zijn schip, door den bliksem diep in die kolk werd weg geslagen, zoodat hij, door die hellepoort, onmiddellijk ter helle voer. Zoo bericht ons nog heden de sage, aan deze overoude plek verbonden. Deze sage is door den Frieschen dichter Salverda in dicht gesteld (Snipper Ocke, in Salverda's Hiljuivns Uwren — Ljeauwerd, 1858), en door S. Koopmans nader beschreven, en van geschiedkundige aanteekeningen voorzien (De Middelzee in verbinding met den Fliestroom langs Bolsivard, in den Friesclie(n) Volksalmanak voor 1890,. Leeuwarden). Nog in deze eeuw werd het aandenken aan deze sage levendig gehouden door een paaltje, dat midden in het stuk land De Okkehel, in den grond gedreven stond. Dat was voor de kinderen en eenvoudigen van harte (liefelijke zielen in deze eeuw van ontkenning!) nog het topje van den mast van Okke's schip. —

Is daar niemand, die zulk een paaltje daar weêr herstelt? Eene zichtbare, tastbare prediking zoude 't den volke weêr zijn, over het derde gebod des Heeren:

«Gv en sult den name des Heeren uwes Godts niet ydelick