is toegevoegd aan uw favorieten.

Getuigenbewijs in burgerlijke zaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

medewerken tot liet ontdekken der waarheid, en dan behoort het niet in de macht der tegenpartij te staan, zijn verhoor onmogelijk te maken.

In welken zin nu de beslissing des wetgevers behoort te vallen schijnt weinig twijfelachtig, zoodra wij ons te binnen brengen, welke redenen van a\raking onze wet kent. Wij vinden ze opgenoemd in art. 1950 B. W.: »Als getuigen kunnen gewraakt worden:

1°. die in de zijdlinie bloed- of aanverwant is van eene der partijen, tot den vierden graad ingesloten;

2°. de aanverwant van den echtgenoot van eene der partijen, in de regte linie onbeperkt, en in de zijdlinie tot in den vierden graad ingesloten;

3°. de vermoedelijke erfgenaam, de begiftigde, de dienstboden of bedienden van eene der partijen, of hij die een dadelijk of zijdelings belang bij het geding heeft;

4°. die ter zake van meineed of van een der misdrijven waarop in geval van herhaling art. 421 van het Wetboek »van Strafrecht toepasselijk is, is veroordeeld."

Dat art. 421 is toepasselijk op een geheele reeks van misdrijven, waaronder valschheid, diefstal, heling, verduistering, bedrog, bankbreuk. Nu is het zeker waar, dat dit ernstige feiten zijn, die op hem, die wegens het plegen van een daarvan is veroordeeld, geen gunstig licht werpen. Maar niet alle onder het artikel vallende feiten zijn van dien ernstigen aard. Als voorbeeld noem ik het misdrijf van art. 315 2°, strooperij door twee of meer vereenigde personen. Wanneer dus twee personen gezamenlijk b.v. een paar aan een ander toebehoorende plaggen, of eenige afgevallen boomvruchten of bladeren zich wederrechtelijk hebben toegeëigend en deswege tot een gevangenisstraf van één dag zijn veroordeeld, vallen zij onder art. 1050 4° en worden dus voor hun geheele leven door de wet als volkomen onbetrouwbare getuigen gebrandmerkt. Een ieder gevoelt, dat