is toegevoegd aan uw favorieten.

Orfeus en Eurydice

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hun meester nader, met een zacht geritsel

Van boomeblaren en zij hoorden toe,

Het kopje neergebogen, wijl de klank

Met zachtre tonen langs hun veeren streek

En rusten ging in schaduw van de twijgen.

Nu scheen het lied van Orfeus als 't geruisch

Van schuwe zefiers door het woud te zweven;

Zoo murmelen de meren in den uchtend,

Wanneer de zon boven de kimmen rijst

En aan den oever kabbelende golfjes

Het doodslied zingen van den bleeken nacht. —

Eurydice zat zwijgend, en zij plukte

Gedachteloos de bloempjes van het mos,

Terwijl haar ziel naast haren Orfeus steeg

En met hem zong dat innig-zachte lied,

Dat hen vereenigde. Zij voelde zich

Groot in zijn liefde, die haar hield omvat

In zangerige omarming — zij was trotsch,

Omdat de vogelen hem zóó schoon kenden

En zwijgend luisterden; omdat de zon

Zijn lier zoo blinkend goudde en in zijn tonen

Mee scheen te zingen, wuivend in het groen.

En in zijn zangen opende de wereld

Zich voor haar blik en blijde, 't Schoonste Schoon

Erkend te hebben door haar Orfeus, dacht

Zij eeuwig zalig zich en zonder leed. —

II.

De Styx lag bruisend met haar breede golven En sloeg de stranden, waar het weeke zand Afbrokkelde en wegspoelde in 't grauwe slijk Van de rivier, die bruin-gekarteld wier Wierp aan den oever, waar de zwarte horens En grijze schelpen, van een kransje schuim Omkringd, een strook langs bleeke, stille plassen Vormden, — terwijl de lucht zóó dreigend laag-hing,