Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die den weg naar Insulinde gebaand hadden: klokken luidden, kanonschoten dreunden, daverende hoera's gingen op. Het ijs was gebroken; langs Afrika's zuidspits — zegt Prof. Kruin — drong thans de begeerigheid naar den wondertuin van Indië, waar Portugal en Spanje tot nog toe alleen de gouden appelen geplukt hadden. Het rijke Spanje werd in zijn hartader getroffen, — de Gouden Eeuw van Neêrlands glorie brak aan.

Zoo geschiedde juist het tegenovergestelde van wat Filips gewild had. Helaas, de trotsche, bemoeizieke monarch groef zich zelf een graf! De oprichting van de Vereenigde Nederlandsche Oostindische Compagnie zette de kroon op het werk. Nu nog een GouverneurGeneraal aan het hoofd, teneinde zooveel mogelijk de eenheid te bevorderen, en — met vertrouwen mocht men de toekomst tegemoet gaan.

Al ras gevoelden de Nederlandsche schippers, dat een tusschenstation op den langen weg naar Indië "zoo niet onontbeerlijk dan toch zeer geriefelijk zoude zijn. De Nederlandsche schipper toch hield van pleisteren, zooals hij dat tegenwoordig nog doet. Hij begeerde dan ook een halfweg-station, zooals Brugge dat b.v. voorheen was op den weg tusschen Oosterlingen en Westerlingen. Lang behoefde men niet te zoeken; want zie, er was een schoone gelegenheid om een station te stichten aan de Kaap. Voor en na toch hadden de schippers reeds aan de zuidwestkust van Afrika aangelegd en er een kleinen handel gedreven met de Hottentotten. Vooral de Engelschen wisten hun voordeel te doen met de onwetendheid der inboorlingen. Tegen stukjes oud, verroest ijzer kochten ze b.v. binnen den tijd van acht dagen meer dan duizend schapen en over de veertig ossen. Nog op een andere wijze toonden zij den hebzuchtigen aard, die hun steeds is bijgebleven. Toen n.1. in het jaar 1608 de Hollandsche admiraal Cornelis Maaklof een aantal schapen en rammen op Robbeneiland gebracht had, pakte de Engelsche kapitein Keelay deze in het volgend jaar weg. Ze waren vet genoeg, meende hij, om te slachten ; een stuk of wat broodmagere rammen zette hij er voor in de plaats. Desondanks werd de Tafelbaai geregeld door de Nederlandsche schippers naar Indië bezocht, zoowel op de terugreis als op de heenreis. Ze hadden er zelfs een soort postkantoor opgericht. Het was wel wat primitief, maar toch deed het uitstekend dienst. Groote steenen hadden ze nl. tot dichl bij de kust gewenteld, en daar werd dan zoo duidelijk mogelijk op aangewezen, op welke plek in de nabijlieid de brieven te vinden waren, die door het volgend schip moesten meegenomen worden. Ook hier leerden de Hollanders zich alzoo van hun meest practischen kant