Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De steel is geelachtig, glad of fijn geschubd, gevuld, dunner aan den voet, 4 a 6 cM. lang en 1 a 2 cM. dik.

Plaatjes dicht op elkaar, helgeel, bijna vrij, 4 a 5 mM. breed.

De sporen zijn glad, wit, soms met geelen tint.

Het vleesch is geel wit, de geur doet denken aan olijfolie, de smaak is zacht en aangenaam, volgens Quélet is zij eetbaar.

Zij komt van September tot November in naaldbosschen overal, maar niet veelvuldig voor.

2. Tr. portentosum (Fr.) afgeleid van jportentosum of buitengewoon.

De hoed die een breedte kan hebben van 8 a 12 cM. is kleverig, eerst bol, later uitgespreid, donker bruin, bijna zwartachtig met violetten weerschijn, gestreept door bruine vezels.

De steel is wit, gevuld, roomkleurig of lichtgeel, 6 a 8 c.AI. lang, 1 a 2 cM. dik.

De zeer breede plaatjes staan eerst dicht op elkaar, later meer vaneen, licht roomkleurig met een geelen weerschijn. Het vleesch is wit of heel licht geel; het riekt naar versch meel.

Deze zwam komt van Sept. tot Nov. in dennenbosschen niet veel en niet overal voor ; is volgens Quélet eetbaar.

3. Tr. resplentlens (Fr.) afgeleid van resplendere of schitteren, n. a. van den zijdeaehtigen gloed der zwam.

De hoed dezer zwam is kleverig, 3 cM. breed, wit, droog zijnde glanzig, soms geelachtig in het midden.

De steel is gelijk, soms knollig, aan den top zacht vlokkig.

Plaatjes wit en dicht op elkaar.

De reuk is aangenaam, doet denken aan anijs.

In October 1889 te Apeldoorn in een beukenbosch gevonden.

4. Tr. fulvellum (Fr.) afgeleid van fulvur of roodachtig, wijzende op de kleur van den hoed.